Meester van Elsloo was. In archiefstukken uit de jaren 1490, 1515 en 1530 trad
een Johan van Oel de beeldsnijder naar voren, terwijl de bejaarde Goert van
Oel de beeldsnijder die in 1573 een plaats kreeg in het grote gasthuis op
de Steenweg, waarschijnlijk zijn zoon was. Johan van Oel zou dus een goede
kandidaat kunnen zijn voor de beeldhouwer die achter de noodnaam ‘Meester
van Elsloo’ schuilgaat, als men er tenminste van uit moet gaan dat hij in
­
Roermond was gevestigd.
De identificatie van de Meester van Elsloo met Johan van Oel bleef evenwel
een these die ondersteund diende te worden met rekeningen en andere finan-
ciële stukken van instellingen die beelden van de Meester van Elsloo hebben
bezeten of nog bezitten. Zouden daarin uitgavenposten betreffende opdrach-
ten aan of bestellingen bij Johan van Oel worden aangetroffen, dan zou de
identificatie wel vaststaan. Helaas zijn noch Roermond noch Venlo en
­
omgeving rijkelijk bedeeld met bronnen uit de jaren 1490-1550. In die weinige
bronnen werden tot op heden geen uitgavenposten met betrekking tot het
werk van Johan van Oel gevonden, zodat de gelijkstelling van Johan van Oel
aan de Meester van Elsloo vooralsnog een veronderstelling bl
2
Het hernieuwde onderzoek van de Roermondse en daarna ook van de
Venlose bronnen in het kader van het huidige Meester van Elsloo-project had
niet de identificatie van de Meester van Elsloo als resultaat, maar leverde wel
enige gegevens op over Johan van Oel de beeldsnijder en zijn Roermondse
context. Het bracht ook allerlei gegevens aan het licht over goudsmeden,
schilders en beeldsnijders in de beide Limburgse steden aan de Maas in de
eerste helft van de zestiende eeuw. Aangezien Roermond en Venlo midden
in het verspreidingsgebied van de werken van de Meester van Elsloo zijn
gelegen en deze meester sedert Gorissen in verband wordt gebracht
met Roermond, lijkt het zinvol de resultaten van dit onderzoek te publiceren.
Het blijft evenwel de vraag of het beeld dat aldus ontstaat representatief
genoemd mag worden. Van de Roermondse en Venlose bescheiden is,
zoals zal blijken, maar een fractie bewaard gebleven. Alvorens op de meesters
in diverse kunstnijverheidsberoepen in te gaan, volgt ter inleiding eerst een
schets van Roermond en Venlo tussen grofweg 1200 en 1600, waarna de
bronnen in kaart worden gebracht.
Roermond en Venlo, Gelderse steden: overeenkomsten en verschillen
Limburgs sinds 1815
Roermond en Venlo kunnen pas sinds de stichting van het Koninkrijk der
Nederlanden in 1815 Limburgse steden worden genoemd. Een nieuw gevormde
provincie aan beide zijden van de Maas kreeg in dat jaar volgens de wens
van koning Willem I de naam Limburg, een provincie die tot 1839 de huidige
Belgische en Nederlandse provincies Limburg omvatte. Vóór 1815 waren de
staatkundige verhoudingen in het gebied tussen Maas en Rijn geheel anders.
Zo bestond het middeleeuwse graafschap en latere hertogdom Gelre niet alleen
min of meer uit de huidige provincie Gelderland, maar ook uit grote gedeelten
van het tegenwoordige Midden- en Noord-Limburg, met de steden Roermond
en Venlo, en aangrenzend Duits gebied, met de kleinere steden Geldern,